skip to Main Content
Onze route door China | Deel 1

Onze route door China | Deel 1

Na de relatieve rust van Rusland en de absolute rust van Mongolië, maken we ons op voor iets heel anders: China. Een van de grootste landen ter wereld, maar vooral het land met de meeste inwoners. En dat betekent hectiek! We zijn voor ons vertrek al vanuit meerdere kanten gewaarschuwd voor de cultuurschok die we in dit land gaan meemaken. 1,35 miljard Chinezen zijn er, dat is meer dan eenvijfde van de wereldbevolking. Alleen al in Peking wonen meer mensen dan in heel Nederland, dat zegt genoeg. Dat er zoveel mensen zijn heeft vast te maken met het feit dat China een van de vroegste centra van beschaving is. En dat betekent vooral dat er heel erg veel te zien is. Een jaar lang door China reizen, als je dat visumtechnisch geregeld zou kunnen krijgen, zou waarschijnlijk nog niet voldoende zijn om alles te zien. En daarom zijn wij van plan om twee keer een bezoek aan dit machtige land te brengen. Allereerst als eindstation van ons Trans-Mongolië avontuur en als toneel voor het vervolg van onze reis in de richting van Tibet (sssshht!), Nepal en India. We doorkruisen het land van noordoost naar zuidwest. En ja, dan blijft er nog een heel groot stuk China over, waar we hopelijk op een later moment van onze reis nog terugkomen. Maar dat duurt nog wel even, dus misschien eerst maar eens terugblikken op deel 1.

Op naar Dàtóng, de Efteling en Peking, het eindstation van deze trein
Het zit er bijna op. Als we in UB op de trein stappen weten we dat dit een van de laatste etappes van de Trans-Mongolië Express gaat zijn. In Erlian, de stad aan de Chinese kant van de grens, worden we meteen geconfronteerd met hoe bijzonder wij westerlingen in de ogen van de Chinezen zijn. Een op het eerste gezicht zeer behulpvaardige politieagente (we zoeken een pinautomaat), is de eerste die samen met ons op de foto wil. En zeker niet de laatste. Een bus, en een volgende trein brengen ons nog diezelfde dag nog naar Dàtóng, waar we rond 23.00 uur aankomen. Omdat de dag ons best wel heeft opgebroken (we zijn de vorige avond om 19.45 in de trein gestapt), hebben we bedacht dat we ons de luxe van een taxi naar ons hostel wel mogen veroorloven. Nadat zo’n dertig taxichauffeurs, en nee we overdrijven niet hebben staan overleggen over de exacte locatie van ons hostel, weet een van hen het zeker. Nadat we een prijs van 60 Yuan hebben afgesproken stappen we in. De subwoofer die voor de nodige lage tonen moet zorgen lijkt wel in mijn hoofd te liggen, zo hard gaat het. En niet alleen de muziek… Als een malloot racet mister taxi door de straten. Nog geen vijf minuten later worden we aan het uiteinde van een voetgangersstraat afgezet. Met een paar vluchtige handgebaren wordt ons de weg vertelt en weg is ie. Een uur zoeken later drukken we op de bel van ons hostel. Wat een dag…

Na een goede nachtrust in onze erg mooie kamer is het tijd voor wat sightseeing. Dàtóng is één van de weinige steden in China waar de oude stadsmuren nog te zien zijn, dus de stad zelf zou erg leuk moeten zijn. Daarnaast zijn niet ver van Dàtóng vandaan twee zeer interessante bezienswaardigheden te vinden. The Hanging Monastery en de Yungang Caves, beiden goed voor een dagtrip. We krijgen al snel van de eigenaresse van ons hostel te horen dat het klooster wel bereikbaar, maar niet toegankelijk is voor toeristen, omdat het te gevaarlijk is geworden. Yungang Caves it is. Iets buiten de stad zijn rond 500 A.D. een aantal grotten in een rotswand volledig voorzien van uit de rots gekapte Boeddha’s. Meer dan 50.000 kun je er vinden. Heel erg indrukwekkend. Het park dat de Chinezen er omheen hebben gebouwd is dat op een vreemde manier ook. Een enorme ‘oude’ tempel die dienst doet als stilte-retraite is misschien nog wel het meest in het oog springend. De foto’s die de situatie van nu vergelijken met die van 20 jaar geleden laten zien dat een volledig dorp plaats heeft moeten maken voor wat nu ‘Yungang Caves Scenic Area’ heet. Alleen de grotten zijn authentiek, het lijkt wel de Efteling.

En daar heeft Dàtóng helaas ook wat van weg. De ‘oude’ stadsmuren zijn maar liefst zes jaar geleden gebouwd, toen de toenmalige burgemeester zijn ambitieuze plan om het volledige historische centrum van de stad te herbouwen in gang zette. Als we over de muur lopen zien we hoe hele woonwijken zijn weggevaagd om plaats te maken voor nieuwe, ‘oude’ gebouwen en straatjes. Helaas is het werk nog niet voltooid, en dus liggen er grote stukken braakliggend terrein binnen de stadsmuren. Blijkbaar is er na het vertrek van diezelfde burgemeester in 2013 een beetje vertraging in het bouwproject geslopen en wat wij zagen leek misschien nog wel het meest op een volledige stop. Het gekste is echter dat de straatjes die wel voltooid zijn een zeer prettige sfeer hebben en zelfs best authentiek aanvoelen. Alleen had ik het ook geloofd als dit in Kaatsheuvel had gelegen. Hier kun je meer lezen over de plannen rondom Dàtóng.

Snel weg dus, op naar Peking, het eindstation van deze trein. Maar eerst nog even naar het station. Omdat onze trein vrij vroeg vertrekt kiezen we er ook ditmaal voor om de taxi naar het station te nemen. De eigenaresse van ons hostel blijkt ook nu weer een goede bron van informatie. Een ritje naar het station, van ongeveer 10-15 minuten, zou niet meer dan 15 Yuan moeten kosten. Fijn, zijn we nog opgelicht door die malloot ook.

Peking blijkt, in tegenstelling tot Dàtóng, een stad waarin je kunt verdwalen in authenticiteit. Het absolute hoogtepunt van onze reis tot zover. De mensen, de geluiden, het eten… Een geweldige stad. Meer hierover lees je hier.

Keuzes maken
Zonder dat we het wisten hadden we onszelf bijna een bezoek aan Tibet door de neus geboord. De ontzettend relaxte sfeer van Peking, in combinatie met een aantal feestdagen en de daarbijbehorende feestjes, had geen goede invloed op onze dagbesteding. Tijd voor wat serieuze planning. Een uurtje later ontdekken we in Irma’s Word tabel dat we met nog ongeveer 4 dagen van ons visum te gaan in Lhasa, de hoofdstad van Tibet, aan zullen komen. En dat is toch wel erg kort. Tijd om te strepen. Wat zijn de dingen die we absoluut niet willen missen en wat kan misschien ook wel worden overgeslagen. Na aan hele avond plannen zijn we er uit: niets. We hadden voor vertrek al best wel kritisch naar de route gekeken en een en ander al buiten beschouwing gelaten. Tijd voor plan B. We gaan ons reisschema proberen in te korten door dingen te combineren. Als de rook is opgetrokken hebben we een goed nieuw plan bedacht. Een heftig plan, maar wel een goed plan. Denken we.

We verlaten Peking om 23.45 uur. Een nachttrein, waarin we helaas zitplaatsen hebben (we krijgen dat een paar uur voor vertek via de mail te horen), brengt ons naar Pingyao, waar we de volgende ochtend vroeg aan zullen komen. Na een paar uurtjes sightseeing pakken we nog diezelfde middag een hogesnelheidstrein naar Xi’an, waar we dan NYE willen vieren met Annie en Stephen, een Schots stel dat we in Peking hebben ontmoet. Een ambitieus plan, maar hierdoor lopen we wel weer 2 dagen in op ons oude schema. Die zitplaatsen moeten geen probleem worden, we hebben tussen Sint-Petersburg en Moskou namelijk ook al eens zo’n nachttrein gehad. Maar dat was Rusland en dit is China, en we hadden er niet verder naast kunnen zitten. Wat een hel! Ten eerste wordt er in Chinese treinen gewoon gerookt. Niet in de zitgedeelten van de trein, maar wel in de stukken tussen de wagons. Je kent ze wel, die smalle stukjes waar in Nederland twee automatische schuifdeuren voor zitten, tegen de kou enzo. Hier zijn het ten eerste geen smalle stukjes, en ten tweede zijn er geen automatische deuren. Op zich zou dat nog steeds geen probleem zijn, want als iemand die gaat roken gewoon netjes de deur van de ‘rooksluis’ achter zich sluit is er niks aan de hand. Maar helaas rookt hier niet één iemand, nee nee, het lijkt wel of iedereen rookt (de mannen dan hè, vrouwen roken hier volgens mij niet)! En dus zijn die best wel flinke ‘rooksluizen’ al snel te klein en worden de deuren maar gewoon open gelaten. Gevolg zou ons pap zeggen: “t trekt er op de vurste koei”. En geloof me, dan lig, uh zit, je niet lekker te slapen.

Gebroken komen we de volgende morgen aan in Pingyao. Ook een stad waarvan de oude stadsmuren nog overeind staan. Maar deze zijn wel origineel. Sterker nog, de hele stad binnen die muren is echt oud. Met behulp van ‘Annie and Stephen’s Quick Guide to Pingyao’ (zij hebben Peking iets eerder weten te ontvluchten en hebben dus wel uitgebreid de tijd gehad in dit bijzondere stadje), moeten we in staat zijn de leukste dingen van de stad te zien. We huren twee fietsen, droppen onze zware tassen bij diezelfde verhuurder en gaan aan de slag. Pingyao is per fiets perfect in een paar uur te bezichtigen, we hebben zelfs tijd voor een koffie. En die hadden we ook wel nodig.

Gelukkig hebben we een snelle en comfortabele trein naar Xi’an. We zitten alleen niet naast elkaar, en zelfs niet in dezelfde wagon. Als een jongen in de instaprij (ze staan hier op het perron netjes in rijtjes te wachten tot de trein arriveert) van Irma’s wagon onze beteuterde gezichten ziet, biedt hij aan om ons te helpen. Van stoel ruilen vinden de meeste reizigers geen probleem, dus uiteindelijk zitten we toch naast elkaar. Nu kunnen we gelukkig onze nieuwe ontdekking (‘instant steamed rice’) samen kunnen nuttigen. Deze rijst maak je klaar door het bijgeleverde zakje water over een dito bijgeleverd zakje te gieten, waardoor het water gaat koken. Of het helemaal gezond is weten we niet, maar het smaakte prima! De jongen die ons hielp blijkt een aardig woordje Engels te spreken en uit Xi’an te komen. Hij vertelt ons wat we zeker niet moeten missen, en geeft ons z’n contact gegevens voor als we nog meer tips willen als we in Xi’an zijn. Voordat hij weer op zijn plek gaat zitten vragen we hem waarom het in godsnaam zo druk is. “Oh, weten jullie dat niet? Nieuwjaarsdag is een nationale feestdag, en die brengen de meeste mensen traditiegetrouw met hun ouders door. Mensen proberen vandaag dus nog massaal die reis te maken. Oh en omdat dat dit jaar op vrijdag is en de twee dagen erna dus weekend zijn, zal het die dagen ook wel druk zijn.”

Aha, fijn dat daar in reisgidsen en dergelijke melding van wordt gemaakt. Niet dus. De drukte is echt onvoorstelbaar. In de nachttrein die ons van Peking naar Pingyao bracht stonden er de hele nacht mensen in het gangpad. Ja je hoort het goed, stonden! In China kun je namelijk ook staanplaatskaartjes kopen. Sommigen hadden dat al wel vaker gedaan, getuige de kleine krukjes en stoeltjes die tevoorschijn kwamen, anderen waren minder goed voorbereid. Hangend op de rugleuning van de stoelen, in onze nek dus, zullen zij misschien nog minder geslapen hebben dan wij. En ja, al die mensen hebben natuurlijk ook nog bagage bij zich, sommigen genoeg om een jaar mee op reis te gaan. En als er dan boven de stoelen geen plek meer is, dan maar onder of tussen de stoelen, wat in ons geval betekende dat we de hele nacht met opgetrokken knieën hebben moeten zitten. Zoals gezegd, we waren gebroken. En daar kon die ene kop koffie in Pingyao helaas maar tijdelijk verlichting in brengen.

Xi’an: NYE, street food, Mt. Hua Shan en heel veel aarden mannetjes
Gebroken of niet, de avond van onze aankomst in Xi’an was NYE, en dat moest natuurlijk gevierd worden. Annie en Stephen zaten, niet geheel toevallig, in een hostel niet ver van het onze en hadden ook wel zin in een feestje. Een warme douche en twee overheerlijke pizza’s maakten ons weer een beetje mens. Die pizza’s waren trouwens echt heel goed. Wij verdenken de Chinese kok van ons hostel ervan stiekem Italiaans te zijn, dat kan haast niet anders. Om 03.00 uur zijn wij vieren degenen die de tent spreekwoordelijk afsluiten. En dat is maar goed ook, want eerder hadden we toch niet kunnen slapen. Onze kamer bevindt zich namelijk recht boven de travelers pub van ons hostel, maar dat ontdekken we de volgende nacht pas. Oh, en voor degenen die het zich nog afvragen, we hebben geen vuurwerk gezien. Aangezien dit niet het officiële Chinese nieuwjaar is bewaren ze die knallers blijkbaar voor wanneer dat wel het geval is, ergens in Maart volgens mij.

Eerst maar eens uitkateren. Van de geplande middagwandeling door de stad komt weinig terecht. Een wandeling naar de water dispenser is het enige waartoe we in staat zijn. Gelukkig zijn we niet de enigen die mogen nagenieten van de voorgaande avond, waardoor we ons meteen wat minder schuldig voelen. Om het schuldgevoel helemaal weg te halen komen wij met het voorstel om die avond naar het Muslim Quarter van Xi’an te gaan. Deze wijk, waar al eeuwenlang de Hui-gemeenschap (Chinese moslims) van Xi’an woont, is een van de toeristische hoogtepunten van de stad. En dat blijkt. We komen terecht in een mensenmassa die je nog het beste kan vergelijken met Koningsdag op Stratumseind in Eindhoven. Alleen zijn er hier in plaats van kroegen allemaal street food kraampjes langs de weg. Grote lamsvleesspiesen van bamboe, broodjes met zeer fijn gesneden vlees (denk aan een broodje kebab maar dan beter), grote schalen gebakken aardappels, groenten, rijst en noodles, verse fruitsappen, en nog veel meer. We kijken onze ogen uit en eten onze buikjes rond. De kater is snel vergeten en het wordt een ontzettend leuke avond.

Irma en ik hebben nu nog twee dagen in Xi’an en die willen we optimaal benutten. Er staan nog een aantal dingen op ons lijstje. De ‘plank walk in the sky’ op Mt. Hua Shan is er daar een van. Mt. Hua, een van de vijf heilige bergen binnen het Taoïsme in China, ligt op ongeveer 2 uur van Xi’an. Eenmaal boven verbindt een netwerk van wandelpaden de vijf toppen van de berg met elkaar. Een wandeling waar je volgens onze informatie een goede vier uur voor nodig hebt. Annie en Stephen besluiten die wandeling aan zich voorbij te laten gaan en dus splitsen we een dagje op. Of ze er, na het zien van onze foto’s, spijt van hadden hebben we maar niet gevraagd, maar we vermoeden van wel. Dat kan ook bijna niet anders, want Mt. Hua Shan was echt geweldig. Voor een uitgebreid verhaal over deze dagtrip klik je hier.

De volgende dag, onze en ook hun laatste in Xi’an, houden we gereserveerd voor de beroemdste attractie die deze stad te bieden heeft: het terracottaleger van keizer Qin Shi Huang. Niet alleen een van de beroemdste attracties van Xi’an, maar een van de beroemdste archeologische vondsten ter wereld. De perfecte afsluiter van de afgelopen dagen lijkt ons. En we hebben het niet mis, het terracottaleger claimt met recht ‘Het Achtste Wereldwonder’ te zijn. Vinden wij tenminste. In 1974 stuiten een aantal boeren bij de aanleg van een waterput op een ondergrondse ruimte met daarin wat terracotta voorwerpen. Deze ruimte blijkt verbonden met een grotere ruimte, waarin uiteindelijk duizenden soldaten en paarden in volledige gevechtsuitrusting gevonden worden. De afmetingen, aantallen en details zijn duizelingwekkend. Meer dan 7000 denkt men dat er zijn, waarvan je er zon 3000 kan zien. Iedere soldaat is uniek, zelfs de haren, schoenveters of stiksels in hun kleding zijn geen twee keer hetzelfde. Ze zijn levensgroot en zouden oorspronkelijk zelfs geschilderd zijn om ze nog echter te laten lijken. Echt heel erg indrukwekkend.

Maar waarom is dit leger dan ooit gebouwd? Het verhaal gaat dat keizer Qin Shi Huang, de eerste keizer van een verenigd Chinees rijk en tevens de man aan wie we ook de Chinese Muur te danken hebben, geloofde in een leven na de dood. In dat leven zou hij net zo machtig willen zijn als in dit, en dus liet hij een hem waardig leger van terracotta maken, wat hem in het hiernamaals zou vergezellen en onder zijn bevel zou staan. Drie grote tombes werden daarvoor gegraven, voorzien van stenen vloeren en een houten dakconstructie. Toen de keizer uiteindelijk overleed werden hij en het zijn leger begraven, om nooit meer gevonden te mogen worden. Tot die ene dag in 1974 dus. Inmiddels is het een van de grootste toeristische attracties van China, met een bezoekersrecord van rond de 620.000 mensen, op één dag. Gelukkig was het toen wij er waren iets minder druk. Omdat we zoveel mooie foto’s hebben gemaakt deze dag (althans, dat vinden we zelf) hebben we deze verwerkt in een aparte fotoreportage.

Bijkomen, Boeddha, Jiuzhaigou en een handjevol bamboe
Volgende halte: Chengdu. We mogen eindelijk de trein uit na wederom een zittende overnachting in een veel te drukke wagon. Maar goed, we hebben het overleefd en bijkomen doen we vanmiddag wel in ons hostel. Vandaag wordt namelijk een dag van niks doen, want de afgelopen tijd is toch best wel heftig geweest. We slapen vannacht trouwens voor het eerst in een dorm. Een tour door Tibet, en de aansluitende vlucht richting Kathmandu (door de aardbeving van april 2015 zijn de grensovergangen over land tussen Tibet en Nepal dicht), zijn helaas een aardige hap uit ons budget en dus moeten we een tijdje gaan bezuinigen. Ons hostel hebben we gelukkig snel gevonden en blijkt een hele relaxte accommodatie te zijn. In de grote gezamenlijke ruimte claimen we ieder onze eigen bank en dan kan het grote niks doen beginnen. Ofja, niks doen… Uiteindelijk zijn we vooral bezig met plannen maken voor de komende dagen, onze belevenissen in Beijing in een leuk verhaaltje verwerken en de laatste zaken rond Tibet en Nepal afhandelen. Hoort er allemaal bij zullen we maar denken.

Omdat Chengdu als stad niet zo heel veel te bieden heeft is het gelukkig niet moeilijk om de volgende dag alsnog wat te relaxen. We slapen uit, wat niet helemaal de planning was maar dat doet er niet toe, en gaan daarna de stad in. Een klein rondje brengt ons langs een aantal bezienswaardigheden waarvan de Green Ram Temple de mooiste en meest bijzondere is. Het echt bijzondere hebben we voor de volgende dag bewaard: een bezoekje aan ‘The Grand Buddha’ in Le Shan, met zijn 1200 jaar en 71 meter hoogte de grootste oude Boeddha ter wereld. En inderdaad, hij is ‘Grand’. Giant zou een betere benaming zijn. Met oren van zeven en grote tenen van acht meter is deze reus behoorlijk indrukwekkend. Uitgehakt in een rotswand op de plek waar drie rivieren samenkomen, moest deze Boeddha schepen beschermen in de gevaarlijke stromingen. Na een flinke busrit en een kleine wandeling staan we oog in oog met deze reus. Een steile afdaling langs de klif geeft ons het totaalbeeld. Vanaf een plateau, zo’n tien meter boven het water, kijk je vanaf zijn voeten omhoog. Je hoeft geen boeddhist te zijn om dit te waarderen.

De dagen die volgen staan in het teken van een bezoek aan misschien wel een van de mooiste plekjes in China: het Jiuzhaigou National Park. Een vallei die is ontstaan door de werking tussen twee tectonische platen, gletsjervorming, aardbevingen en nog wat. Op zich al bijzonder genoeg, maar Jiuzhaigou heeft meer. Verspreid door de vallei liggen 114 meren, de een nog blauwer dan de ander. Wij lopen een dag lang met open mond door dit park. Mede mogelijk gemaakt door het negeren van een paar afzettingen overigens, want in de winter wordt blijkbaar de helft van de paden afgesloten en ben je dus genoodzaakt om je met bussen door het park te verplaatsen. En daarvoor hebben wij geen 240 Yuan betaald. We hebben het park even voor ons alleen, zo voelt het tenminste, en dat maakt een hoop goed. Ook hier hebben we een fotoreportage aan gewijd, zoals je hier kan zien. Het door ons geboekte hotel in de buurt van het park is namelijk een grote nachtmerrie. Onze kamer blijkt geen (gratis) verwarming te hebben, en wij vertikken het als echte budgetreizigers om te betalen voor een mini heater die waarschijnlijk een week nodig heeft om de boel op te warmen. Dat wordt dus truien aan en doorbijten. Onze wekker om 07.00 uur op de morgen van vertrek heeft nog nooit zo goed geklonken. Blij dat we daar weg zijn.

En dan is het tijd voor de laatste dag in Chengdu. ‘Save the best for last’ zeggen ze wel eens, en dat hebben we dus maar gedaan. Sichuan, de provincie waarvan Chengdu de hoofdstad is, is namelijk een van de weinige plekken op aarde waar ze, buiten dierentuinen, nog voorkomen. Het gegeven dat dit beestje het toonbeeld is van het Wereld Natuur Fonds geeft wel aan hoe bijzonder ze zijn. Waar ik het over heb? Panda’s. In The Giant Panda Breeding Research Base kun je ze van dichtbij bekijken, en dat slaan wij natuurlijk niet over. Er zijn twee diersoorten die de naam panda dragen: de reuzenpanda, jeweetwel die van het WNF, en de rode panda, die meer weg heeft van een wasbeer. Ze hebben hier zo goed mogelijk hun natuurlijke habitat proberen na te bootsen en aan de beestjes te zien is dat goed gelukt. Als wij rond etenstijd langskomen zitten ze namelijk allemaal vrolijk bamboe te knauwen. En dat doen ze op een speciale manier. Eerst breken ze een stengel bamboe af, daarna ontdoen ze alle kleinere takjes aan die stengel van hun blaadjes, die ze in hun mondhoek verzamelen en vervolgens uit het vuistje naar binnen werken. Een mooi gezicht. Het feit dat de panda’s hier zo goed verzorgt worden is dat ook. Waar ze in de Giant Panda Breeding Research Base uiteindelijk naartoe werken? Het creëren van zoveel en zo groot mogelijke leefgebieden voor deze dieren, zodat we ze uiteindelijk weer in het wild kunnen zien.

En dat was China, voorlopig dan. We staan nu op het punt om naar Tibet te gaan, het volgende avontuur. Een achtdaagse tour moet ons langs zoveel mogelijk mooie plekjes in dit gebied brengen. Want ja, we weten dat Tibet slechts een regio in China is, maar het voelt toch als iets geheel nieuws!

Dit bericht heeft 2 reacties
  1. Hallooo Irma en Tijl,
    al een paar maandjes onderweg en al heel veel gezien, lees ik in jullie prachtige verhalen. De verhalen en de foto’s geven een uitstekend beeld van jullie geweldige reis.
    En nu op avontuur in Tibet. Geniet er samen van. Groetjes en heel veel plezier.
    Eric en Erica

  2. Wat ‘ n indrukwekkend land en dit is nog maar ‘n klein deel van dit land. Weer helemaal bijgelezen en de foto’s bewonderd, prachtig die bergen en meren en schattig die beren. En best wel spectaculair ja die wandeling over die planken, schiet er nu nooit een van zo’n plank af met die drukte? Tja maar hopen dat die haken goed vast zitten, toch? Doen die chinezen nog ‘ n beetje aan controle van veiligheidseisen? Jullie hebben het in ieder geval overleefd, degene na jullie moeten nog maar zien….! Veel plezier in Tibet!

Het is niet mogelijk een reactie te plaatsen.